|
INTERNATIONALE SOLIDARITEIT? - Paul Ghijsels De politieke en sociale ontwikkelingen sedert de waanzin van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog weerleggen de fatalistische bewering, dat er niets verandert. Moderne communicatiesystemen zorgen voor wereldwijde snelle informatiestromen. De uitbreiding van transportmogelijkheden maakt de hele planeet bereikbaar. Zelfs de verkenning van de buitenaardse ruimte is begonnen. Voor het eerst in de geschiedenis zien wij, dank zij satellietbeelden en ruimtevaart, onze wereld als één geheel. Wellicht tot onze verwondering stellen wij vast, dat wij allen leven in één en dezelfde luchtbel, de atmosfeer die ons laat ademhalen en wereldwijde beeld- en radiogolven draagt. Generaties reeds weten wij dat het water naar de zee loopt, maar wij zien nu ook, dat alle oceanen met elkaar verbonden zijn. Vervuiling heeft overal gevolgen. Wij komen moeizaam het genetisch materiaal op het spoor, dat zich sedert eeuwen over de aarde verspreidt. Ook verre volkeren zoeken een betere toekomst en komen in beweging. Nieuw is daarenboven de hoop dat, dank zij wetenschap en techniek, de oplosbaarheid mogelijk wordt van primitieve problemen van armoede en veel onnodige mizerie.Wij beleven een boeiende tijd in de evolutie van de wereld. Verschueren's Modern Woordenboek vermeldt onder "solidariteit" : 1. gemeenschappelijke gebondenheid; 2. gemeenschappelijke aansprakelijkheid. Van Daele's etymologisch Woordenboek verklaart "solidariteit" als: door saamhorigheid verbonden. De facto zijn wij dus solidair, verbonden, samen op het ruimteschip aarde, het Spaceship Earth van Barbara Ward. Over heel de wereld groeit vandaag inderdaad het bewustzijn van het werkelijk bestaan van andere landen en volkeren, van afhankelijkheden en internationale bindingen en het is een verheugende vaststelling, dat ook in ons land deze bewustwording toeneemt. Wij leven in een fantastische tijd, met enorme mogelijkheden, maar laat u niet beetnemen! Het dagelijkse wereldnieuws staat bol van hongersnoden, grensconflicten, regelrechte middeleeuwse oorlogen en vluchtelingenstromen. Een minderheid van 30% van de wereldbevolking heeft zich 80% van de totale energie toegeëigend, beheerst 90% van de industriële productie en bezit 90% van alle financiële middelen. Wij zijn nog ver verwijderd van een harmonische en solidaire wereld. Samenwerking?
Aan pleidooien voor een ruimere internationale solidariteit ontbreekt het nochtans niet. Voortdurend wordt aandacht gevraagd voor ontwikkelingshulp-of-wat-daarvoor-moet-doorgaan. Van hoog tot laag pleiten organisaties voor meer internationale samenwerking, de multilaterale Verenigde Naties en de Europese Unie, nationale regeringen en het actieve maatschappelijke middenveld, niet in het minst de grote niet-gouvernementele NGO-organisaties. Wat is er sedert de jaren 1960 niet allemaal ontstaan aan verenigingen en lofwaardige initiatieven "zonder grenzen"? Artsen zonder Grenzen, Advokaten zonder Grenzen, Dierenartsen zonder Grenzen, Artsen zonder Vakantie, Geneeskunde voor de Derde Wereld, Dokters voor de Wereld, er wordt nogal wat gedokterd aan de gevolgen van wantoestanden en armoede. Het internationale goede doel wordt bevolkt door duizenden, in eigen land door honderden verenigingen, stichtingen, vzw's. Zou men zich niet doeltreffender rechttoe rechtaan op de oorzaken richten? Reeds in 1972 schrijft Tibor Mende in een kritische studie (De l'Aide à la Recolonisation):" De lofwaardige poging om de ontwikkeling te bevorderen in de economisch achtergebleven helft van de wereld, heeft een administratief en universitair complex in het leven geroepen van onwaarschijnlijk grote afmetingen. Zich verspreidend zowel in de rijke als in de arme landen, is het in 20 jaar tijd één van de grootste industrieën ter wereld geworden, die een inkomen en een carrière bezorgt aan meer personeel dan enige internationale grote onderneming. De bedrijfsresultaten zijn erg pover en toch is het de enige onderneming ter wereld, die ondanks de achteruitgang steeds meer personeel uitbreidt."
België internationaal?
In eigen land was het departement voor internationale samenwerking sedert de oprichting in de na-koloniale dagen geen toonbeeld van enig gewicht en samenhang in het beleid. De uitgaven op de begroting betekenden in 2007 met bijna 1,5 miljard Euro ( bijna 60 miljard F.) slechts 0,43% van het Bruto Nationaal Product. Is dit de maatstaf van onze internationale solidariteit? Daarbij moet eerlijkheidshalve gezegd worden dat volgens door ministeriële kabinetten bevestigde bronnen, ongeveer 85% van de uitgaven rechtstreeks ten goede komt aan eigen landgenoten in de vorm van wedden, toelagen en bestellingen van uitrustingsgoederen en diensten. Het zou verstandig zijn, vooraleer te streven naar het bereiken van de nochtans door tal van "vooraanstaande" organisaties gevraagde, geëiste (!) 0,7% van het BNP, eerst grondig de inhoud en de resultaten te evalueren van de huidige uitgaven. Samenhang is er noch vertikaal in zijn gebrek aan continuïteit in het beleid, noch horizontaal in de geografische landenkeuze, laat staan in de eventuele coördinatie met andere voor internationale ontwikkeling en welvaart belangrijke beleidssectoren. De in 1962 in België opgerichte Dienst voor Ontwikkelingssamenwerking DOS, het latere omstreden algemeen bestuur ABOS, werd bij de zoveelste herstructurering uiteindelijk omgevormd tot de huidige Belgische Technische Coöperatie BTC en DGIS, deze laatste nu weer DGOS, een ten onrechte in Buitenlandse Zaken geïntegreerde directie-generaal. Bij de samenstelling van regeringen werd de portefeuille van ontwikkelings- of internationale samenwerking bijna steeds als uiteindelijke pasmunt gebruikt, zodat 45 jaar officiële samenwerking al bijna evenveel opeenvolgende commissarissen, ministers of staatssecretarissen opleverde van ongeveer alle politieke strekkingen met uiteenlopende visies op internationale aangelegenheden. Voor de logische coördinatie met andere voor ontwikkeling en welvaart essentiële beleidsdomeinen was er vooralsnog weinig aandacht. In echte internationale solidariteit is inderdaad meer samenhang nodig, met landbouw en onze gesubsidieerde overschotten die verre markten ontwrichten, met buitenlandse handel die onoverkomelijke schuldenlasten veroorzaakt, met koper, coltan en uranium in ruil voor wapens, met diplomatie en conflictpreventie, met monetair beleid en internationale financiën, met kennismaking met culturen, met media die infotainment serveren in plaats van degelijke informatie, met inter-nationale opvoeding en toekomstkansen voor nieuwe generaties, met binnenlandse zaken en door migratie en asielprocedures geplaagde justitie, met wereldwijde mensenrechten en uiteindelijk met objectieve democratie over landsgrenzen heen, met vrede en levensrecht van volkeren. Zonder constructieve coördinatie met de andere relevante actoren is ontwikkelingssamenwerking zinloos en in vele gevallen zelfs een regelrechte leugen, vooral wanneer zij wordt ingeschakeld voor eigen economische en geopolitieke belangen. Of wil men ontwikkelingssamenwerking reserveren voor landen waarmee wij eigenlijk verder niet samenwerken? In de landenkeuze was er, tenzij wat Centraal-Afrika betreft, gezien de wisselende politieke voorkeur al evenmin continuïteit. Of zullen wij qua resultaten de ontnuchterende miljardenrekening maken en de tragische werkelijkheid onder ogen zien van een halve eeuw ontwikkeling en samenwerking met onze traditioneel meest bevoorrechte partnerlanden Kongo, Rwanda en Burundi? Arme landen? Dáár liggen toch de bodemrijkdommen, landbouwarealen en arbeidskrachten ? Of noemen wij hen potentiële groeilanden of brutaalweg lage loon of zonder loon landen? In wezen gaat het om vele verschillende volkeren en culturen, in grote verscheidenheid en met eigen grote verantwoordelijkheden. Door de minimalistische, 19de eeuwse caritatieve interpretatie van solidariteit werd ontwikkelingssamenwerking langzamerhand ten onrechte beschouwd als "een humanitair departement, nochtans geschikt voor vrouwen in de politiek" (*Miet Smet in een reactie op de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de huidige regering). De onophoudelijke, vooral emotionele fondsenwerving heeft internationale solidariteit herleid tot een marginale op den duur vervelende morele plicht in plaats van een unieke eigentijdse kans op reële sociale en economische, solidaire internationale samenhorigheid.
Vlaanderen?
De plaats van de Vlaamse Gemeenschap in deze geschiedenis is slechts een kort verhaal. Door de grondwetsherziening van 1993 en de zogenaamde Sint-Michielsakkoorden werden de deelstaten in België ertoe gemachtigd een eigen buitenlands beleid te voeren in alle materies waarvoor zij ook binnenlands bevoegd zijn.( Wat zijn trouwens, gezien de voortschrijdende internationalisering van de samenleving, nog binnenlandse of buitenlandse aangelegenheden?) Toch duurde het tot 1999 vooraleer een bevoegdheid voor internationale samenwerking formeel werd opgenomen in de Vlaamse regering, weliswaar toegevoegd aan de Minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden...en Ontwikkelingssamenwerking (Anciaux,VU). Na zijn voortijdig ontslag drie jaar later kwamen over anderhalf jaar tijd achtereenvolgens niet minder dan drie verschillende groene excellenties. Zij waren bevoegd voor Welzijn, Gezondheid, Gelijke Kansenbeleid en Ontwikkelingssamenwerking (Vogels) of Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking (Sannen, Tavernier). Bij de samenstelling van de Vlaamse regering Leterme in 2004 werd "ontwikkelingssamenwerking" aanvankelijk zelfs gewoon vergeten en dan maar ondergebracht bij Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme (Bourgeois, N-VA). De minister verdween in september 2008 alweer van het toneel, het eerste tastbare resultaat van de huidige staatshervorming! Enige continuïteit is dus ook in het Vlaams beleid ver te zoeken? In werkelijkheid beantwoordt de internationale samenwerking van de Vlaamse Gemeenschap nauwelijks aan het volume van een alledaagse niet-gouvernementele NGO. Het jaarverslag van VAIS, het Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking, belast met de uitvoering van het beleid, vermeldt voor 2007een budget van 22 miljoen Euro, die vooral besteed werden aan traditionele projecten in drie partnerlanden in zuidelijk Afrika ( Zuid-Afrika, Malawi en Mozambique), humanitaire hulp, ontwikkelingseducatie en sensibilisering in eigen land. Van een vernieuwend origineel beleid en brede solidariteit is ook hier geen sprake.
Lambermont 2001
Nochtans hadden de Lambertmont-akkoorden van 2001 een fundamentele uitbreiding van de internationale samenwerking naar andere terzake belangrijke beleidsdomeinen zoals landbouw, volksgezondheid, buitenlandse handel, onderwijs en media mogelijk kunnen maken. Een bijzondere wet bepaalde, dat delen van de ontwikkelingssamenwerking voor zover zij behoren tot de bevoegdheden van gewesten en gemeenschappen, vanaf 1 januari 2004 zouden overgeheveld worden naar deze besturen. Tot toepassing van deze wet is het evenwel nooit gekomen. Deze beperkte bestuurlijke hervorming werd door de in de regering Verhofstadt I verantwoordelijke staatssecretaris Boutmans (Groen) zelf, met de steun van vooral Vlaamse (!) grote NGO's en hun universitaire bondgenoten deskundig gesaboteerd. Precies zoals in het geval BHV werd de uitvoering van het oude regeerakkoord steeds uitgesteld en heeft deze beperkte, volgens het subsidiariteitsbeginsel gewettigde en logische bestuurshervorming nooit plaatsgehad. Afgezien van het feit dat een beperkte, uitbreidende regionalisering moedwillig als een bedreigende algemene "splitsing" werd voorgesteld, moet ook ernstig getwijfeld worden aan de objectiviteit van de geraadpleegde "voornaamste actoren uit de sector". Sedert wanneer bepalen, in hun verzet tegen de regionalisering, de per definitie niet-gouvernementele organisaties, die hun reden én middelen van bestaan vinden in de ontwikkelingssamenwerking-of-wat-daarvoor-moet-doorgaan, het regeringsbeleid? De totale uitgaven van de Belgische officiële ontwikkelingssamenwerking bedroegen vorig jaar (2007) 1,426 miljard Euro, waarvan 214 miljoen bilateraal beheerd door DGOS en 187,796 miljoen Euro (7,5 miljard F.) als staatstoelagen voor de zogenaamde indirecte samenwerking van ngo's en universiteiten. Kunnen deze "voorname actoren" dan nog als objectieve deskundigen beschouwd worden? Daarenboven besteedde DGOS vorig jaar voor "sensibilisering en vorming in eigen land" 10,6 miljoen Euro en werd door de Belgische staat nog eens 13,3 miljoen Euro naar de ngo-sector doorgeschoven voor educatie en sensibilisering, alhoewel de belangrijke maatschappelijke opdracht van opvoeding en cultuur bij wet reeds sedert jaar en dag aan de gemeenschappen toekomt. De tegenstanders van regionalisering wijzen op het gevaar voor versnippering, maar is er één sector die zo versnipperd en in verspreide slagorde optreedt in alle 's heren landen als de honderden sedert jaren zelf naar de gemeenschappen opgesplitste ngo's? Waar is de logica? Het is merkwaardig hoe zogenaamd progressieven soms erg behoudsgezind kunnen zijn... De federaal overeengekomen Lambertmontakkoorden boden nu eindelijk de kans om delen van de ontwikkelingssamenwerking over te brengen naar de bevoegdheden van gewesten en gemeenschappen en aldus de internationale samenwerking te laten doorgroeien naar sectoren die er werkelijk toe doen, ook al behoren die tot regionale besturen. Maar er is nog meer.
Conservatieve staatshervorming
In de aan de gang zijnde nationale onderhandelingen over een blijkbaar moeilijke Belgische staatshervorming worden velerlei soorten solidariteit opgevoerd: de interpersoonlijke, sociale, politieke, interregionale, financiële, nationale solidariteit. Met het concept solidariteit kan men blijkbaar vele kanten uit. Maar opmerkelijk én merkwaardig, ook de internationale solidariteit werd uit de kast gehaald ...om door her-federalisering het centraal bestuur te versterken! Reeds bij de eerste voorlopige akkoorden na de zomer 2007 werd gewag gemaakt van "een superministerie van Buitenlandse Zaken", wat kon wijzen op een dreigende verdere opslorping van ontwikkelingssamenwerking door Buitenlandse Zaken. De januari 2008-nota Verhofstadt stelt even later zomaar voor, het door zijn regeringen I en II niet eens uitgevoerde Lambertmontakkoord voor overheveling van bevoegdheden naar gewesten en gemeenschappen gewoon op te heffen, een "Verhofstap-achteruit". In de ochtend van 10 januari op Radio1 ventileert het onvermijdelijke 11.11.11 meteen zijn tevredenheid over deze wending, op 16 januari gevolgd door een Standaard-ingezonden pleidooi "eensgezind tegen splitsing", in De Morgen van 21 januari vindt een minister van staat het "een mooie knipoog van de geschiedenis dat de regionalisering van ontwikkelingssamenwerking, die trouwens nooit is doorgevoerd, eindelijk ongedaan zou worden gemaakt". Indien deze reactionaire maatregel in de huidige staatshervorming wordt opgenomen, betekent dit alweer een gemiste kans om de ambitie tot internationale verstandhouding en samenwerking te laten doorgroeien naar voor wereldontwikkeling en welvaart essentiële beleidsdomeinen, naar reële internationale solidariteit. Of geeft "de sector" er liever de voorkeur aan in zijn magere maatschappelijke en politieke marginaliteit, met 0,4 % van het BNP en mekaar eindeloos opvolgende liefdadigheidscampagnes, vast te houden aan 19de eeuwse oude Belgische structuren? Dat de gewesten en gemeenschappen niet klaar zouden zijn voor internationale samenwerking? Dan is dit vooral de schuld van de centrale overheid, die gedurende 45 jaar te kort is geschoten in haar sensibilisatie- en educatieopdracht terzake. Dat de Vlaamse Gemeenschap onlangs een precolombiaanse goudschat aanvaardde als betaling van erfenisrechten, waarvoor zij dan wél bevoegd is, is in deze samenhang (on-samenhang?) een onheilspellend teken. Willen wij ooit actief solidair betrokken zijn bij het boeiende wereldgebeuren dat hoe dan ook mede onze eigen toekomst bepaalt, dan zullen wij dit ook zelf beter moeten organiseren.
Tot slot
" Ondanks alle frustraties bruist Vlaanderen van bewustzijn en belangstelling. Dat bewijzen het aantal vrijwilligers, de nationale campagnes en de ontelbare werkgroepen en bewegingen voortdurend. In haar eigen visie legt onze cultuurgemeenschap de klemtoon op de eigen culturele en menselijke ontwikkeling van de volken van de zogenaamde Derde Wereld. Het is de hoogste tijd, dat wij met de nieuwe wereldrealiteit leren leven en dat wij ons in de wereldgeschiedenis opnieuw als een natie gaan gedragen, samen met Europa en met andere kleine volken en landen uit de wereld een alliantie vormen, gericht op samenwerking, verstandhouding en wederzijdse ontwikkeling." (Maurits Coppieters, openingstoespraak eerste Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Brussel 18 oktober 1977.)
Paul Ghijsels
De auteur is vele jaren werkzaam geweest bij de Belgische Ontwikkelingssamenwerking
|
|